• Eufrasie

De ficus

Bijgewerkt: 23 mei 2018


Wanneer ik thuis ben is een gulle, zachtaardige vijgenplant mijn gezel. Ik kocht hem als jonge welp in een tuincentrum drie jaar geleden en installeerde hem voor een vloer-tot-plafond-raam in een uithoek van mijn woonkamer, waar het nooit eenzaam is en hij weinig anders hoeft te doen dan zijn gang gaan, het goed stellen en daarvoor bewonderd worden. Het is een hele eer een plant als hij te mogen huisvesten. Na amper één jaar schonk hij me een eetbare vijg. Ik apprecieerde het gebaar en ervoer het als een bestendiging van onze waardering voor elkaar.



De woonkamer waarin mijn vijgenplant vertoeft, schafte ik net als de plant zelf ongeveer drie jaar geleden aan. Ondanks alle zorg die ik eraan besteedde, groeide hij niet meer. Dat komt omdat mijn zorg voor de woonkamer niet dezelfde is als die voor de ficus. Van de ficus weet ik namelijk zeker dat ik hem overal kan meenemen, van de woonkamer niet.


Wanneer de zomer terugkeert en zich versmelt met de voorbije zomers in dit huis - blijkbaar wikkelt een geheugen seizoenen en huizen in eenzelfde folie -, schuift het verleden als een oude bekende aan aan onze picknicktafel zonder dat ik daar erg in heb. Maar mezelf projecteren naar ditzelfde huis over tien, vijftien jaar vermijd ik als de dood. Zo’n beeld grijpt me naar de keel. Dit huis moet een bivakoord blijven, deze woonkamer een museum. Ik schiet hier geen wortel. Op elk moment kan ik van deze tafel opstaan, mijn ficus onder de arm nemen en vertrekken, naar een onbekende plek hier ver vandaan.


Ik dacht dat ik de vijgenplant te slim af was: wat ik niet vast haak, hoef ik nooit te lossen. Waar ik geen wortel schiet, kan ik zo vertrekken. Mijn ficus lacht mild om mijn sluwe tactiek. Zijn precaire voortbestaan hangt af van mijn goodwill, toch schoot hij wortel en groeit hij met een generositeit die zijn weerga niet kent.


© 2017 

Created with Wix.com

  • w-facebook
  • w-flickr